BACCYFLAP.COM

my great-grandfather's wartime letter

During the dark days of the winter of 1944, when things were at their worst in the Netherlands, my great-grandfather, Jan van Oijen, rode his bicycle from Haarlem to Groningen to trade for food to feed his family. Farmers in the eastern and northern parts of the country, many of whom had not been greatly affected by the nazi occupation which focused the brunt of its terror on the western, more urbanised parts of the Netherlands, were either happy to give away their produce, to sell it cheaply, or more infamously, to charge absurd prices to get rich off the misfortune of others.

Jan van Oijen in his service uniform Jan van Oijen was born in 1896. The picture on the right was taken in 1919, at the end of his service during the first World War.

After returning from Groningen, my great-grandfather wrote this letter to his sister Ger and her family. Remarkably, it's a light-hearted and enjoyable read, which goes to show the persistence of good humour and optimism among the Dutch in these horrific times - self-deprecating to a degree, but also filled with a faith in the goodness of their fellow human beings and a thinly veiled rage at those who betray that faith. My great-grandfather had no idea that he wrote this letter almost precisely two months before liberation, though it seems he was hopeful that things were going to get better.

This was transcribed from a typewritten copy of the original letter, and it is said that the actual letter resides with some cousin or uncle. As this is a transcription of a transcription, I can't possibly know if errors were introduced by the initial transcriber; I can only assure you, gentle reader, that I have transcribed the transcription precisely, dubious punctuation and all.

It's written in Dutch, of course, but I've added an English translation. You can switch between the two versions with the two links below this paragraph. I've done my best to capture the spirit of the text, but it isn't perfect - translations never are, after all.

nederlands | english

Haarlem, 4 maart 1945

Lieve Ger en familie v.d. Laan,

Volgens belofte zou ik jullie altijd nog het een en ander laten weten over die prachtreis terug.

Ger, dit kan ik je wel garanderen, dat ik dezelfde reis voor geen ƒ1000,- overdoe. Ik heb je onderweg met opzet maar niets laten weten van alle ellende die ik meegemaakt heb. Maar als ik in finesses de hele reis zou moeten beschrijven zou het er veel op lijken of mijn fantasie mij parten had gespeeld! Zo rijk aan variaties op elk gebied, dat ik achteraf niet begijp hoe ik gezond en met de gehele buit veilig Haarlem heb bereikt! Dat begon al heel gauw dat ik buiten Appingedam kwam, daar was de weg opgevroren en door de auto’s van onze beschermers totaal kapot gereden zodat je de nek brak over de brokken ijs. En je weet wel hoe mooi die weg gebouwd is! Precies een rodelbaan, zodat je met een beladen rijwiel zowat niet op je achterbenen kon blijven staan. Vóór Groningen ben ik twee keer gesmakt en met angst voor die olie, maar dat liep gesmeerd hoor! Hadden ze niet prachtig geborgen gezeten, waren ze op de reis zeker 10x gesneuveld. Maar verder. 5 km voor Groningen was ik feitelijk schoon op. Maar wat moest ik? Doorbijten dus. Toch was ik om drie uur al in Groningen. Niet slecht dus. Maar het was zes uur en bijna donker voor ik onder dak was. Het Rode Kruis in de Harmonie had een zending vluchtelingen uit Venlo en een kamp woonwagenbewoners uit Roermond ontvangen, stijf onder de luizen en aanverwante artikelen, zodat mij daar werd geadviseerd een deurtje verder te gaan, als ik alleen naar Haarlem wilde terugkeren. Mijn adviseur liet even de zaal zien en toen schoot de schrik in mijn benen en de moeheid eruit! Groter hoop ellende heb ik nooit bij elkaar gezien. Daar lagen zo’n 800 à 900 mannen, vrouwen en kinderen op stroo door elkander, de meesten vies en smerig, het lijden der laatste dagen of misschien wel weken op hun gezichten. Om beroerd van te worden. Toen heb ik mijn fiets in een winkel gezet en ben op zoek gegaan naar de Orts Comm. om logiesvergunning. Natuurlijk gelijk van het kastje naar de muur gestuurd, eindelijk gelukt en met een zucht van verlichting stak ik mijn vergunning op naam en aangewezen hotel in mijn zak en was op pad. Toen ik eindelijk dat adres bereikte was die helemaal niet blij met zo’n klant want volgens zijn zeggen was alles bevroren, had ie geen lakens en slopen; weet ik veel wat hij allemaal aanvoerde, maar ik liet me niet afschepen en het slot was dat ik best heb geslapen voor “maar” ƒ3,50,- zonder ook maar een kopje drinken; van je vaderlanders moet je het maar hebben!

Volgende dag. Naar Assen 27 km. Ik zag er erg tegenop, maar achteraf bekeken is dat mijn makkelijkste dag geweest. De O.T. had het hele rijwielpad sneeuwvrij gemaakt, het weer was best en de omgeving prachtig, goed gevulde broodzak (tussen haakjes, wat heb ik daar een plezier van gehad; ik kan er nu nog van watertanden!) Alleen van fietsen was geen sprake. Te zware vracht. Om 5.00 uur werd Assen bereikt en daar vond ik heel goed onderdak bij het Rode Kruis, kreeg zelfs nog warm eten en goed ook. Gestampte rode kool met vlees, zes sneden brood gesneden en belegd, ’s morgens 4 boterhammen plus koffie en een goed bed. Alles tezaam voor ƒ1,60. Koopje hè! Doch van Assen begon niet de victorie, maar de ellende. De volgende morgen vertrok ik met nog wat mensen met twee paarden en wagen waarop onze bagage, vijf vrouwen waaronder twee die defect waren en zich hadden aangesloten bij mij en een man die naar Utrecht moest. De mannen er achter op de fiets, tegen een zeer ijskoude zuidooster in; de oren vroren van je hersendepot! Een lijdensgeschiedenis. Die vrouwen stierven zowat op die wagen; iedere kilometer moesten ze met warme koffie gelaafd worden om ze in leven te houden. Zo bereikten we Dieverbrug, 26 km van Assen. Weer overnachten bij het Rode Kruis, maar eerst schooiden we bij de O.T. nog een pan stamppot op met rookworst gestampt. Weer water langs mijn tanden!! Toen was het Zondag en het weer zo gemeen dat wij met de vrouwen niet meer verder durfden. Die nacht heeft het 16 graden gevroren! Wij besloten dus maar een dag uit te rusten. Weer warm eten gehaald bij de O.T. waarbij we zelf bloedworst bakten die we in Assen hadden gekocht. Ik had zo’n apparaat van 5 pond gekocht zonder bon voor ƒ3,-, niet gek hè? Diezelfde zondag werd ons door een majoor der vliegers beloofd dat wij mee mochten “Fahren”, misschien wel tot Zwolle of nog verder. Grote vreugde in het kamp, dat begrijp je wel.

We moesten ’s morgens om vier uur maar komen, dan konden bagage en fietsen worden opgeladen. Je begrijpt, we lieten ons om drie uur roepen en om half vier waren we present - - - - - en toen waren die viezerikken vertrokken! Zelfs geen stank hadden ze achtergelaten. Daar stonden wij stumpers in de kou om half vier ’s morgens, koud en dampig. En toen maar aan de tippel om Meppel te halen. Daar we echter zo vroeg waren vertrokken haalden we dat gemakkelijk en na een bord snert in de centrale keuken tussen twee luchtalarms door besloten we door te gaan naar Staphorst. Dat was nog 9 km. Hadden we maar in Meppel gebleven want om 8.00 uur liepen we nog buiten. En Staphorst is heel erg christelijk! Ze vonden het allemaal veel te koud om zo maar in het hooi of stro te slapen maar deden gelijk de deur voor onze neus dicht. Enfin, om om 8.00 uur lukte het ons zo’n meikever te vermurwen. We lagen te sterven van de kou en ellende. Stijf tegen elkaar om de warmte te behouden. We lagen nog geen tien minuten onder het hooi of daar kwam een bevrijder aanvliegen en wierp twee bommen achter elkaar vlak in onze nabijheid, waardoor een boerderij werd getroffen maar er was een brug bedoeld.

Ik moet dit relaas even onderbreken, daar juist een bericht doorkomt over het zware bombardement van Den Haag van Zaterdagmorgen (dus gisteren) enige honderden doden, een paar duizend zwaar gewonden en ongeveer dertigduizend daklozen. Vreselijk hè? Wat een vreselijke tijd. Maar ik ga verder. We lagen allen te beven als een riet van angst. Gelukkig bleek het toch verder van ons vandaan dan het lawaai deed vermoeden. Maar - - - we bleven liggen, waar moest je heen in een stikdonkere nacht en op onbekend terrein, dus blijven liggen was nog het beste. Ontlopen doe je het toch niet. Van Staphorst naar Zwolle. Tegen een zware Zuidooster sneeuwstorm, 18 lange km, tegen een snijdende wind, zo koud dat de sneeuw op je gezicht onmiddellijk bevroor en het ijs in pegeltjes aan je wenkbrauwen en oogharen hing! Ger, je kunt je niet voorstellen wat wij die dag doorstaan hebben. Op een gegeven moment laat één van die vrouwen zich met fiets en al voorover vallen en weigerde eenvoudig verder te gaan. Toen zijn we maar bij een boer 1½ uur gaan schuilen en daar sneeuwde en waaide het precies zo hard als buiten. Enfin, het was een beste boer hoor. Voor zeven kopjes zwarte koffie hoefde hij maar ƒ1,- te hebben. De stumper had ook maar een koetje of 16 in de stal. Snap je dat nou juffrouw Snip? Van woede en ellende zijn we maar weer opgestapt. Eindelijk bereikten we Zwolle met de hoop dat het voor die dag mooi was. Maar dat viel even anders uit, want zo dra we Zwolle binnenstapten werd ons aangeraden, om zo gauw mogelijk door te gaan daar al drie dagen razzia’s werden gehouden in alle nachtverblijven voor doortrekkers. Dus doorlopen!

Buiten om Zwolle heen door enorme hopen sneeuw baggeren in de richting IJsselbrug. En dat is van Zwolle weer vier kilometer. Zo waren we buiten Zwolle of het begon te regenen en te vriezen. Ook een combinatie. Als je mijn jas had gezien, dat geleek wel een oliejas en mijn hoed een stalen helm. Zo hebben we doorgemoord tot bij de brug. Daar werden we uitgenodigd om onze bagage maar af te laden voor inbeslagname of terug te gaan. Maar in geen van tweeën hadden we trek. Een consternatie van jewelste, dat snap je. Vrouwen huilen, de mannen kankeren en protesteren, maar daar hielp niets aan. We besloten dus maar om terug te gaan, natuurlijk zo weinig mogelijk, en onze kans af te wachten. Gelukkig bood een heer, begaan met ons lot, ons aan om ons naar een boer, een kennis van hem, te brengen, heel kort bij de brug, dus met meteen een prachtkans voor een “penetratie”, zo noemen ze dat toch tegenwoordig? En met groot succes. Dat was nou eens een werkelijk goede boer. Beter mens heb ik de hele reis niet ontmoet. Geheel belangeloos is de man voor ons op pad gegaan en zowat de gehele nacht in touw geweest. Maar toen had hij ook alles prachtig voor elkaar. Eerst zouden we nog diezelfde avond door de controle gaan en toen we klaar stonden kwam een C.C.D. man vertellen dat er haaien op de kust waren zodat ons vertrek werd uitgesteld tot de volgende morgen 4.00 uur. Er bleef dus niets anders over, dan daar te blijven. Dat vond die boer heel niet erg en zorgde meteen even gauw voor brood met dik boter en hete volle melk. Om drie uur werden wij geroepen en weer twee grote kommen hete melk en de boerin had ’s nachts even gauw voor ons een grote leverworst gekookt van enige ponden. Die werd in vieren gesneden en de boerin zegt: Ziezo, nu kunnen jullie er wel even tegen. Toen we hem voor dat alles wilden betalen weigerde hij ook maar een cent aan te nemen en bracht ons daarna netjes door de controle!

Een prachtmens, hè? Tevens had hij nog 2 R.D. opgescharreld voor het geval, dat de C.C.D. haperde! Wat een kerel, niet?

Zo was dan het grootste gevaar geweken en waren wij na korte tijd over de IJsselbrug. De Duitse posten moeiden ons helemaal niet. Diezelfde dag begon het hard te dooien en binnen het half uur was er niet één of hij had drijfnatte voeten. Zo hebben wij die dag Oldenbroek gehaald of laat ik liever zeggen, dat wij naar Oldenbroek gebaad zijn, want dat dooiwater kon nergens heen omdat het te snel ging, dus zwom je meer dan dat je liep. Gelukkig braadde in Oldenbroek een grote kachel zodat we de halve nacht bezig zijn geweest met drogen. Toen wij de volgende morgen buiten kwamen was alle sneeuw weg. In één nacht! Alles weg! Dat was een vreugde; met frisse moed aanvaardden wij de reis naar Harderwijk, waar wij ’s avonds bij het Rode Kruis onderdak vonden en waar ’s nachts mijn mooie das van eigenaar verwisselde. Dat daar gejat werd was ook geen wonder. Want in een zaal zo groot als onze concertzaal brandde één klein stormlampje. Zodat je practisch in ’t donker zat. Je durfde niet ééns naar de W.C. want dan kon je je plaatsje niet meer vinden. De volgende morgen nam ik bij Nunspeet afscheid van de reizigers naar Utrecht en Hilversum en ging alleen verder en arriveerde ’s middags om drie uur in Bunschoten. Daar ben ik gebleven omdat daar een Rode Kruispost is en daarna niet meer. Maar zo best als het daar op de heenreis was, zo beroerd was het op de terugreis. Geen warmte en geen eten meer. ’s Morgens een kop bouillon noemden ze dat. Maar ik heb zo het idee dat ze van één blokje een kop of acht maakten, zo goor was het. Je voelde al direct dat je weer Holland naderde. ’s Morgens stormde het hard en de moed zonk in mijn schoenen. Als je dan alleen bent en aan niemand ook maar enige steun hebt, dan voel je je zo verlaten en dan nog zo’n rotweg boven op een dijk langs de Zuiderzee, tegen wind enz.

Op de Tafelberg in Blaricum staat een theehuis en aangezien dat nogal een vertrouwde zaak leek vroeg ik om daar een 50 pond neer te mogen zetten en de volgende week halen. Wat werd goedgevonden. En toen de spurt erin! En trots dat ik schoon op was, heb ik nog 50 km tegen wind in gebokst, maar ’s avonds om 7.15 uur was ik thuis en je begrijpt, toen St. Nikolaas aan het uitpakken ging, dat er een hoeraatje opging. Vooral dat wittebrood en spek! Dat was een ongekende weelde. Nu zul je het bijna niet geloven maar dat brood heeft 11 dagen in mijn tassen gezeten, waarvan 8 dagen hard bevroren en toen wij het gebruikten leek het twee dagen oud, zodat wij zonder er iets aan te doen, het zo geconsumeerd hebben. Dat spek heb ik al die tijd in mijn binnenzak gehad, als ik hem als deken gebruikte. Ik dacht zo, als ze alles inpikken, is dat tenminste gered. Als ik er nu nog bij vertel dat ik ergens tussen Meppel en Zwolle mijn voorband eraf gegooid heb, totaal aan flarden, dan begrijp je na dit relaas wel dat die reis geen pleziertje is geweest. O, ja, dat zou ik haast vergeten, op de weg Nijkerk-Bunschoten werden wij nog beschoten door de Tommy’s. Hoe gauw wij aan de kant van het water lagen kun je niet geloven, maar gelukkig werd niemand getroffen, omdat wij ze al een hele poos hadden gezien waren wij er op bedacht, temeer daar ter plaatse bekenden vertelden, dat daar dagelijkse bezoekers waren. De voorste zak viel van mijn bagagedrager in het water, maar zo gauw had ik hem er uit dat alleen die gort die onderin zat nat was en die heb ik in Bunschoten direct gedroogd en de oliefles leefde ook nog en daar zat ik over in hoor! Als ik zo aan die wandeling terugdenk Ger en ik denk dan aan de vierdaagse, waarbij het publiek met uitgeperste sinaasappeltjes en schoteltjes met suikerklontjes staan te wachten om die stoere, beste wandelaars te laven, dan is die vertoning toch wel belachelijk en dan delen ze nog medailles en oorkonden uit ook! De Führer mag dan aan ons, lange afstandlopers, de orde “van de natte poten” met een fles Hofman wel geven; die Hofman voor de doorstane angst en zenuwen!

Ziehier Ger, het verhaal van een etenhaler uit Holland waar de kranten de laatste tijd veel over schrijven, als die plaag van het platteland! En toch Ger, het heeft veel moeite gekost, maar we hebben er nu veel genot van want de toestand is hier heel erg hoor. Want die prijzen die ik jullie in januari noemde zijn al vele malen verdubbeld als je het nog krijgen kunt,. Wat zeg je van een pond tarwe ƒ20,-. Lucifers ƒ14,- per pak. Zout ƒ8,- pd. Aardappels ƒ5,- p. kilo. Shag ƒ25,- á ƒ30,- per 50 gram, dus dan weet je het wel hè? Boter was vorige week ƒ100,- per pond en olie per per fles ƒ90,-. Dat is voor arbeiders niet meer om te betalen. Het gaat goed. Het gaat best. Maar hoe beter het begint te gaan, hoe minder je te eten krijgt.

Pootaardappels worden aan volkstuinders niet meer verstrekt. Maar in de krant wordt de bevolking aangeraden zo veel mogelijk aardappels te telen. Meer en Berg is ontruimd maar ik begin te geloven dat ze die gasten allemaal een baantje bij de voedselvoorziening gegeven hebben. Bonnen worden zat bekend gemaakt maar je kunt ze net zo goed niet inleveren want vele daarvan worden toch niet ingewisseld.

Van Wim dat heb je inmiddels wel gehoord hè? Verschrikkelijk niet, zo’n jonge sterke vent. Voor zijn moeder was hij toch een beste jongen. Maar ja, zo zie he Ger, nou is hij niet naar D. gegaan en toch is hij gesneuveld. Erg hoor! Hoe gaat het met Jan, knapt hij al wat op?

Nu Ger, je wilt allen, ook van de Molen en zijn vrouw nog wel van ons bedanken hè! Verder ben ik zo’n beetje uitgepraat. Jammer dat ik die bonnen niet heb kunnen oversturen; markt is er haast niet meer zodat ik van mijn beloften niet veel kan vervullen, maar het is ook zo, wat er vandaag is, is er morgen niet meer.

Ger, ik ga eindigen en laat het aan jullie over om je met mijn verhaal te vervelen. Verder van ons allen hartelijk bedankt en gegroet.

Je vader, moeder en
Jo en Tiny.

Dag hoor, tot na de Krieg!!